Bezwaar tegen de heffing in box 3 (sparen en beleggen)

Bezwaar tegen de heffing in box 3 (sparen en beleggen)

Nu het rendement op ons vermogen al enige tijd erg laag is, wordt steeds vaker de vraag gesteld of de belastingheffing over het vermogen in box 3 (sparen en beleggen) niet erg onredelijk is. Waar we begin van deze eeuw (met hoge rendementen op spaargeld en beleggingen) nog spraken over “Box 3 is de Pretbox” is de stemming geheel omgeslagen. Het rendement op bijvoorbeeld ons spaargeld is tegenwoordig bijna nihil terwijl de belastingheffing over het vermogen (indien meer dan de vrijstelling) netto 0,58% bedraagt en zelfs kan oplopen tot netto 1,68%.

Bezwaar over de jaren tot en met 2016
In het verleden zijn er al diverse procedures gevoerd over de vraag of onze wijze van belastingheffing over het vermogen in box 3 wel rechtvaardig is. De Hoge Raad heeft in eerdere procedures (inzake de wijze van heffing tot en met 2016) geconstateerd dat dit niet zo is. Het forfaitaire fictieve rendement van 4 procent was immers over een lange termijn niet meer haalbaar zonder daar (veel) risico voor te lopen. Toch concludeert de hoogste rechter dat het niet aan de rechter is om dit systeem te repareren omdat daarvoor keuzes op stelselniveau moeten worden gemaakt. In beginsel moet de wetgever dit soort keuzes maken zodat de rechter zich terughoudend moet opstellen. De bezwaarschriften van de belastingplichtigen die waren aangewezen als “massaal bezwaarprocedure” werden derhalve afgewezen. Deze bezwaarschriften gingen alleen om de vraag ‘of de heffing van box 3 op stelselniveau in strijd komt met het recht op eigendom, artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: artikel 1 EP EVRM).

Tot slot geeft de Hoge Raad aan dat de rechter wel kan ingrijpen als een individuele belastingplichtige wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Maar de massaal bezwaarprocedure draait alleen om de vraag ‘of de heffing van box 3 op stelselniveau een schending van artikel 1 EP EVRM vormt’. De toetsing of sprake is van een individuele en buitensporige last maakt geen onderdeel uit van deze procedure. Het bewijs of er sprake is van een individuele en buitensporige last zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen geleverd kunnen worden mede omdat al uw inkomen en vermogen in aanmerking moet worden genomen.

Bezwaar tegen box 3-heffing vanaf 2017
Hoewel de bezwaarschriften in de massaal-bezwaarregeling van aanslagen tot en met 2016 collectief zijn afgewezen, is nog onbekend hoe de Hoge Raad oordeelt onder het nieuwe regime zoals dit geldt vanaf 2017. Er geldt in box 3 nog steeds een heffing over het fictief rendement van het vermogen, maar is het fictieve rendement van 4% gewijzigd in een (wederom) fictief rendement dat afhankelijk is van de hoogte van het vermogen. Met andere woorden: hoe hoger het vermogen, hoe hoger de heffing in box 3 bedraagt.

In 2019 zijn er 3 schijven voor het berekenen van het fictief rendement. Over het berekende fictieve rendement betaalt u 30% inkomstenbelasting. Uitgangspunt hiervan is dat verondersteld wordt dat er meer rendement wordt behaald naarmate men meer vermogen heeft en dat men bij een hoger vermogen meer belegt (hoger fictief rendement) dan spaart (lager rendement).

In de tabel hieronder ziet u hoe de schijven zijn opgebouwd:

Schijf                       (Deel van de) grondslag   Sparen en beleggen                                     Percentage 0,13%                                        Percentage 5,59%                                        Percentage gemiddeld rendement                           
1 Tot € 71.651 67% 33% 1,931%
2 Vanaf € 71.651 tot € 989.737 21% 79% 4,443%
3 Vanaf € 989.737 0% 100% 5,59%

De nieuwe berekeningswijze van het fictieve rendement in box 3 en de belastingheffing die daaruit voortvloeit, wordt opnieuw voorgelegd aan de rechter. Wanneer u van mening bent dat deze wijze van heffing opnieuw in strijd is met artikel 1 EP EVRM, kunt u bezwaar maken tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting. Het bezwaar zal dan wederom worden aangemerkt als een massaal bezwaarprocedure en zal worden aangehouden totdat er een definitieve uitspraak zal worden gedaan.

Bezwaarprocedures op grond van andere (persoonlijke) motieven dan artikel 1 EP EVRM zijn moeilijker te onderbouwen en kunnen alleen in maatwerk worden aangeboden. Uiteraard kunnen wij u hierin begeleiden.

Wanneer u wilt dat wij bezwaar maken tegen de heffing van het vermogen in box 3, dan verzoeken wij u ons dat kenbaar te maken. Dat kan bijvoorbeeld door ons een e-mailbericht te sturen waarin u aangeeft mee te willen doen in de massaal bezwaarprocedure. Het bezwaar zal dan alleen gericht zijn op de strijdigheid van artikel 1 EP EVRM. 

Let op dat het bezwaar tijdig moet worden ingediend. Dit betekent dat het bezwaar binnen zes weken na het opleggen van de definitieve aanslag moet zijn ingediend. U dient ons derhalve tijdig te informeren! 

Heeft u toch nog vragen? Dan kunt u altijd contact met ons op te nemen.

Posted in: